
De Belgische betonstaalverwerkende bedrijven hebben zich in 2005 binnen de Confederatie Bouw verenigd in een nieuwe federatie, genaamd Cobesta, met als doel de belangen te verdedigen van de buigcentrales, de betonstaalwerkers en alle andere belanghebbenden. Op 23 april hield ze haar jaarlijkse Algemene Vergadering en dat was de gelegenheid voor voorzitter Marc Dubaere – CEO van de Dubaere Group in Meulebeke, producent van bouwstaalmatten en draad op rollen – om de visie van de sector nog eens duidelijk in kaart te brengen.
Marc Dubaere
CEO van de Dubaere Group
Op 23 april had u de jaarvergadering, maar ik neem aan dat de sector vaker bij elkaar komt?
Zeker, wij vergaderen drie tot vier keer per jaar maar dit was de eerste keer dat we samenkwamen na onze toenadering tot Faba en dus met een aantal nieuwe partners rond de tafel gingen zitten.
De betonstaalsector is in feite nog een redelijk onbekende sector, is het niet? Hoe komt dat?
Ons werk is vaak niet zichtbaar omdat het meestal meteen verstopt wordt achter een laag beton, maar er komt natuurlijk meer bij kijken dan enkel wat wapeningsstaven. Het gaat van grondwerken en funderingen tot andere kunstwerken die nooit zichtbaar blijven. Het is ook allemaal veel complexer dan men soms denkt of vermoedt. Onze eigen ingenieurs zorgen voor technische begeleiding van ontwerp tot uitvoering en maken vaak berekeningen, legplannen en legschetsen voor de studiebureaus. Maar achter veel indrukwekkende realisaties in beton schuilt een hoop kennis en vakmanschap wat staal betreft. Ik denk daarbij aan heel wat imposante viaducten, de Oosterweelwerken die van start gaan en ook de sokkels van windmolens bijvoorbeeld, wat vaak echte huzarenstukjes zijn.
Er gaat dus duidelijk veel staal schuil in al dat beton en dat wordt geproduceerd en verwerkt door een heleboel bedrijven. Zou Cobesta zijn ledenaantal graag zien vergroten en nog meer bedrijven verenigen?
Absoluut. Momenteel verenigen wij een beperkte groep van middelgrote tot grote bedrijven, maar wij willen dat graag opentrekken en dan vooral naar de kleinere bedrijven toe. Er werden behoorlijk wat investeringen gedaan naar de BENOR-certificering toe en het is natuurlijk van belang dat dat in elke schakel van het proces zijn weerslag vindt. Ook de kleinere betonbuigcentrales mogen hier zeker niet bij ontbreken, dus er is nog wat werk aan de winkel.
Ja, dat BENOR-verhaal is blijkbaar erg belangrijk voor de sector… Bent u ook voorstander van een verticale controle (fabrikant/verwerker/verdeler)?
Dankzij het BENOR-label weet je tenminste dat je met betrouwbare producten en materialen te maken hebt. Het OCBS speelt daarin natuurlijk een belangrijke rol. Deze
instelling verzekert al sinds 1977 het beheer van het BENOR-merk in de sector van de staalproducten. Het vrijwillige BENOR-merk is een onafhankelijk en betrouwbaar certificaat dat de garantie geeft dat bouwproducten met specifieke technische eigenschappen geschikt zijn voor welbepaalde toepassingen. We worden daar ook zo om de twee maanden serieus op gecontroleerd en dat is een goede zaak voor iedereen. Ik denk dat ik begrijp wat u bedoelt met ‘verticale controle’… Wij leven in een maatschappij waar ‘tracing’ erg belangrijk is geworden, want er worden grondstoffen ingekocht op verschillende locaties en bij verschillende leveranciers. Als die al betrouwbaar zijn en daar geen probleem werd aangetroffen, kunnen we naar de volgende schakel in het proces overstappen en zo verder. Op die manier komen we wel tot de aanleiding of oorzaak van het eventuele probleem en kunnen we dat zo aanpakken.
Denkt u dat een nauwere samenwerking met de Cluster Ruwbouw en Algemene aanneming u kan helpen met dit alles, zonder uw autonomie daarbij te verliezen?
Daar geloof ik inderdaad sterk in. In plaats van een – zeg maar – loshangende federatie te zijn maken we nu deel uit van een groter geheel en daar kunnen we alleen maar sterker uitkomen. We zitten ook meteen met meer en andere partijen rond de tafel en dat geeft ons een hoop interessante en nieuwe mogelijkheden qua promotie en werking naar de toekomst toe. Maar we willen zeker onze eigenheid en autonomie behouden, dus laat ons zeggen dat we met plezier en enthousiasme ons ‘karretje aanhangen’ en zullen zien waar de trein ons brengt, maar het blijft wel ons karretje.


